Verhalen

Paling
Sytse
Poep

Poep

Vandaag hangt voor het eerst de lente in de lucht en dan fiets ik snuivend door de stad op zoek naar vlagen mest-lucht. Dit tegen beter weten in, want ik zou de auto moeten pakken, naar het noorden rijden, de afsluitdijk over, en dan bij Bolsward het land inrijden en meteen de autoraampjes opendraaien, om mij door de parfum van verse koeienstront te laten bedwelmen. En dan zou ik langzaam doorrijden en bij de boerderij aangekomen mijn schoenen voor boerenlaarzen verruilen; en dan het weiland inrennen, me verheugend op de eerste verse vlaai. De boer zou zeggen: wie rent daar toch, die vrouw op mijn land? en ik zou splatjtjsss, mijn laars op de vlaai drukken, zachtjes, steeds harder, tot het bovenste harde laagje opzijschuift, en er dunne geurende diarhee overblijft, en daar dan hard in springen.

En dan, als het al te laat is, zou ik bij de boer in de gang een overall gaan lenen, en mijn vuile stadsjurk in de megawasmachine gooien en even koffie drinken. En hij zou mij zeggen, dat hij teveel mest heeft; en dat hij nu zijn hoofd breekt over de kosten van een nieuwe mest-silo. En dat er boeren uit Brabant komen om het mestoverschot hier op te kopen en dan met hun mestwagen vol weer terugrijden. En we zouden filosoferen over mest als brandstof. En dan zou hij weer aan de slag gaan op het erf, de kalverhokken uitmesten, want de kringloop gras-melk-poep houdt nooit op.

Elsbeth van Dijk, Haarlem 2011 ©